Welke trends stonden vorig jaar in de Top 10 en op welke plek? Hieronder zie je het overzicht van de editie 2018-2019.

1. Toenemende invloed technologie
Technologische ontwikkelingen gaan razendsnel. Waar deze zich vroeger ‘lineair’ voltrokken, gaat het nu ‘exponentieel’. Traditionele sectoren worden verrast door nieuwe diensten en bedrijven, vaak vanuit een hele andere industrie. In veel sectoren vindt al een ingrijpende mechaniserings- en automatiseringsgolf plaats. De mens als een van de centrale productiefactoren kan dan weleens aan belang inboeten. Leerlingen moeten leren hoe zij zich in deze snel veranderende en hoogtechnologische maatschappij staande kunnen houden en aan hun toekomst kunnen werken.

2. Digitalisering van het onderwijs
De wereld en het onderwijs digitaliseren. Steeds vaker worden fysieke lessen met behulp van digitale lesmethoden gecombineerd met leren op afstand. Leren gebeurt niet langer alleen in reguliere onderwijsomgevingen. ‘Blended learning’ wordt toegepast door zowel private en hogere onderwijsinstellingen als in het basis- en voortgezet onderwijs. Er ontstaan meer vormen van gratis toegankelijk onderwijs. Ook komt steeds meer data beschikbaar over leerlingen en hoe zij leren. Gecombineerd met digitale lesvormen en -materiaal maakt dit het mogelijk onderwijs steeds verder te personaliseren. Van PO tot post-initieel onderwijs bestaat de mogelijkheid leerlingen en studenten op hun eigen niveau te laten studeren.

3. Veranderende arbeidsmarkt 
De arbeidsmarkt verandert. De arbeidsmarkt globaliseert, waarbij werkzoekenden steeds meer internationale concurrentie ervaren. Arbeidsmobiliteit verandert en er komen steeds meer verschillende manieren om een inkomen te genereren. In de crisisjaren is de arbeidsmarkt steeds flexibeler geworden. Ook verdwijnen sommige banen door automatisering, terwijl naar andere banen juist een grotere vraag ontstaat. Met de arbeidsmarkt veranderen arbeidsrelaties ook. Thuiswerken, een tijdelijk avontuur in het buitenland or op projectbasis werken is gewoongoed geworden. Jarenlang hetzelfde doen komt minder vaak voor. Meer en meer werken organisaties (met zowel vaste als flexibele krachten) en individuen in netwerkverband samen richting een bepaald eindresultaat. .

4. Tekort aan geschikt onderwijspersoneel
De komende jaren dreigt het lerarentekort in alle lagen van het onderwijs op te lopen. Vergrijzing en de aantrekkelijkheid van het beroep zijn belangrijke factoren. Het tekort geldt voor zowel docenten als voor bestuurders. In het VO zijn de tekorten geconcentreerd bij bepaalde vakken zoals informatica, natuurkunde en Duits. In het hoger onderwijs is de situatie minder nijpend, maar wordt wel verwacht dat de komende jaren de vraag naar met name bètadocenten toe zal nemen. Er zijn dus niet alleen te weinig docenten, maar de docenten die er wel zijn, beschikken niet altijd over de juiste kwalificaties.

5. Toenemende maatschappelijke tweedeling
In veel Westerse landen neemt de tweedeling in de samenleving steeds verder toe: tussen jong en oud, autochtoon en allochtoon, hoogopgeleid en laagopgeleid, rijk (de ‘haves’) en arm (de ‘have nots’). Bevolkingsvergrijzing en -ontgroening, ongelijke economische kansen, inkomensongelijkheid, verlies van werkgelegenheid door automatisering, opkomst van meer extreme politieke partijen en grote migratiestromen voeden deze ontwikkeling. Maatschappelijke groepen dreigen zo steeds meer in verschillende werelden te gaan leven met als risico dat de tolerantie van en het onderling begrip tussen groepen afneemt.

6. Krimp en leerlingendaling
De bevolkingssamenstelling in Nederland verandert. Het aantal ouderen neemt toe en het aantal jongeren neemt af. Er worden minder kinderen geboren. (Jonge) mensen trekken weg uit bepaalde gebieden bij gebrek aan voorzieningen en werkgelegenheid. Maar ontgroeningen is niet alleen iets van traditionele krimpgebieden, het treft ook de Randstad. Minder kinderen betekent minder leerlingen voor het onderwijs. In krimpregio’s staat de kwaliteit en zelfs beschikbaarheid van onderwijs onder druk. Het is daar lastiger om leerlingen en docenten aan te trekken.

7. Leren in en voor een nieuwe wereld
Wanneer en waarvoor wordt geleerd verandert. Is het onderwijs sinds de industriële revolutie grotendeels los van de maatschappij en het arbeidsproces komen te staan, lijken deze grenzen nu weer meer te vervagen. Formeel en informeel leren lopen meer door elkaar, de verdeling van leerdoelen over levensfasen staat volledig op zijn kop. Konden we ons leven voorheen in drie fasen indelen: onderwijs, arbeid, pensioen, is er nu sprake van een multifase-indeling, waar werken, ontspanning en leren regelmatig gelijktijdig plaatsvinden.

8. Bildung versus academic achievements
Vanuit de wetenschap komt er steeds meer aandacht voor de rol van onderwijs in de identiteitsontwikkeling van kinderen bij. Het onderwijs zou naast het overdragen van kennis ook vooral moeten gaan over zelfactualisatie en persoonsvorming. Kennis is alomtegenwoordig en beschikbaar, de juiste begeleiding bij het opdoen van inzicht in jezelf is lastiger te vinden. Snelle technologische ontwikkelingen maken dit vraagstuk steeds relevanter. In het politiek discours en in de praktijk lijkt de nadruk momenteel echter te liggen op het belang van meetbare resultaten. PO, VO en HO zijn grotendeels gericht op het overdragen en toetsen van kennis.

9. Meer diversiteit in de klas
Het soort leerlingen dat in een klas zit wordt steeds diverser. Ook worden de niveauverschillen binnen klassen steeds groter. De veranderingen in het passend onderwijs, een toename van kinderen met een niet-Westerse achtergrond en/of taalachterstand en de wildgroei aan labels als hoogsensitief en ADHD leiden tot een grote diversiteit in de klas. Van onderwijsinstellingen wordt verwacht dat hier aanvullende inspanningen voor worden geleverd.

10. Veranderende onderwijsgeldstromen
Publiek geld is voor veel onderwijsinstellingen nog steeds de belangrijkste bron van inkomsten, waarbij het aantal leerlingen of diploma’s de hoogte van de overheidsbijdrage bepaalt. Met name voor het hoger onderwijs geldt dat het aandeel van deze primaire geldstroom al jaren aan belang inboet ten opzichte van inkomsten uit subsidies en bedrijfsmatige inkomsten. In het lager en middelbaar onderwijs staat de financiering onder druk door dalende leerlingenaantallen en zijn de geldstromen voor Passend Onderwijs ingrijpend veranderd. Tegelijkertijd veranderen de momenten waarop mensen onderwijs genieten (een leven lang leren), waardoor de financiering ook op andere momenten nodig is.