Welke trends stonden vorig jaar in de Top 10 en op welke plek? Hieronder zie je het overzicht van de editie 2018-2019.

1. Toenemende maatschappelijke tweedeling

In veel Westerse landen neemt de tweedeling in de samenleving steeds verder toe: tussen jong en oud, autochtoon en allochtoon, hoogopgeleid en laagopgeleid, rijk (de ‘haves’) en arm (de ‘have nots’). Bij verkiezingen draait het om voor iets of tegen iets stemmen. Bevolkingsvergrijzing en -ontgroening, ongelijke economische kansen, zorgen over het klimaat, verlies van werkgelegenheid door automatisering, opkomst van meer extreme politieke partijen en grote migratiestromen voeden deze ontwikkeling. Maatschappelijke groepen dreigen steeds meer in verschillende werelden te gaan leven met als risico dat de tolerantie van en het onderling begrip tussen groepen afneemt.

2. Tekort aan geschikt onderwijspersoneel

De komende jaren dreigt het lerarentekort in alle lagen van het onderwijs op te lopen. Vergrijzing en een verminderde aantrekkelijkheid van het beroep zijn belangrijke factoren. Het tekort geldt voor zowel docenten als voor bestuurders. In het VO zijn de tekorten geconcentreerd bij bepaalde vakken zoals informatica, natuurkunde en Duits. In het hoger onderwijs is de situatie minder nijpend, maar wordt wel verwacht dat de komende jaren de vraag naar met name bètadocenten toe zal nemen. Er zijn dus niet alleen te weinig docenten, maar de docenten die er wel zijn beschikken niet altijd over de juiste kwalificaties.

3. Veranderende arbeidsmarkt 

De arbeidsmarkt verandert. De arbeidsmarkt globaliseert, waarbij werkzoekenden steeds meer internationale concurrentie ervaren. Arbeidsmobiliteit verandert en er komen steeds meer verschillende manieren om een inkomen te genereren. In de crisisjaren is de arbeidsmarkt steeds flexibeler geworden. Ook verdwijnen sommige banen door automatisering, terwijl naar andere banen juist een grotere vraag ontstaat. Met de arbeidsmarkt veranderen arbeidsrelaties ook. Thuiswerken, een tijdelijk avontuur in het buitenland or op projectbasis werken is gewoongoed geworden. Jarenlang hetzelfde doen komt minder vaak voor. Meer en meer werken organisaties (met zowel vaste als flexibele krachten) en individuen in netwerkverband samen richting een bepaald eindresultaat. .

4. Toenemende invloed technologie

Technologische ontwikkelingen gaan razendsnel. Waar deze zich vroeger ‘lineair’ voltrokken, gaat het nu ‘exponentieel’. Traditionele sectoren worden verrast door nieuwe diensten en bedrijven, vaak vanuit een hele andere industrie. In veel sectoren vindt al een ingrijpende mechaniserings- en automatiseringsgolf plaats. De mens als een van de centrale productiefactoren kan weleens aan belang inboeten. Ook is er steeds meer aandacht voor ethische vraagstukken rondom technologie: alles is mogelijk, maar willen we dat ook? Hoeveel van onze privacy willen wij opgeven voor gemak? Leerlingen moeten leren hoe zij zich in deze snel veranderende en hoogtechnologische maatschappij staande kunnen houden en aan hun toekomst kunnen werken. Op verantwoorde wijze omgaan met hun eigen data hoort hier ook bij.

5. Digitalisering van het onderwijs

De wereld en het onderwijs digitaliseren. Steeds vaker worden fysieke lessen met behulp van digitale lesmethoden gecombineerd met leren op afstand. Leren gebeurt niet langer alleen in reguliere onderwijsomgevingen.  ‘Blended learning’ wordt toegepast door zowel private en hogere onderwijsinstellingen als in het basis- en voortgezet onderwijs. Er ontstaan meer vormen van onderwijs dat gratis toegankelijk is. Digitalisering leidt ertoe dat een grote hoeveelheid data wordt verzameld, waarbij het de vraag is hoe we daar op verantwoorde manier mee omgaan. Daarnaast zijn er maar een beperkt aantal spelers op de Nederlandse markt die digitalisering van het onderwijs mogelijk maken. Onderwijsinstellingen willen voorkomen dat zij te afhankelijk worden van de invloed van deze bedrijven.

6. Meer gepersonaliseerd leren

Digitalisering van het onderwijs leidt tot een grote beschikbaarheid van data over leerlingen en studenten. Dit biedt een schat aan informatie over hoe leerlingen het beste kunnen leren. De individuele leerling komt hiermee steeds centraler te staan in het onderwijs. Gecombineerd met digitale lesvormen en -materiaal maakt de beschikbare data het mogelijk het leerproces steeds verder te personaliseren. Van PO tot post-initieel onderwijs bestaat de mogelijkheid leerlingen en studenten op hun eigen niveau te laten studeren. In de toekomst zal kunstmatige intelligentie een belangrijkere rol gaan spelen bij het aanbieden van gepersonaliseerd en adaptief lesmateriaal. De vraag is of leerlingen naar eenzelfde einddoel blijven werken of dat ook het einddoel wordt gepersonaliseerd.

7. Krimp en leerlingendaling

De bevolkingssamenstelling in Nederland verandert. Het aantal ouderen neemt toe en het aantal jongeren neemt af. Er worden minder kinderen geboren. (Jonge) mensen trekken weg uit bepaalde gebieden bij gebrek aan voorzieningen en werkgelegenheid. Maar ontgroeningen is niet alleen iets van traditionele krimpgebieden, het treft ook de Randstad. Minder kinderen betekent minder leerlingen voor het onderwijs. In krimpregio’s staat de kwaliteit en zelfs beschikbaarheid van onderwijs onder druk. Het is daar lastiger om leerlingen en docenten aan te trekken. Tegelijkertijd groeien steden wel, voornamelijk door migratie en urbanisatie. Op sommige plaatsen leidt dit dan juist tot een groot aanbod van leerlingen en studenten, wat weer zorgt voor hevige concurrentie tussen onderwijsinstellingen.

8. Aandacht voor duurzaamheid

Overheden, bedrijven en burgers raken er meer en meer van doordrongen dat onze huidige beslaglegging op energie, grondstoffen en de natuur op lange termijn niet houdbaar is. De groeiende aandacht voor duurzaamheid wordt steeds vaker omgezet in regelgeving, subsidiemogelijkheden en andere prikkels om gedragsverandering te stimuleren. Voorbeelden hiervan zijn de Klimaatwet en het Klimaatakkoord. Op deze manier wordt gestreefd om onder andere huisvesting zo duurzaam en klimaatneutraal mogelijk in te richten en is er meer aandacht voor gezonde voeding, ook voor kinderen. Voor onderwijsinstellingen betekent dit dat zij hun bedrijfsvoering vanuit een duurzaamheidsperspectief zullen moeten wegen. Ook kan aandacht voor duurzaamheid een prominentere rol in het curriculum krijgen.

9. Toenemende aandacht voor curriculumvernieuwing

Vanuit de wetenschap komt steeds meer aandacht voor de rol van onderwijs in de identiteitsontwikkeling van kinderen. Het onderwijs zou naast het overdragen van kennis ook vooral moeten gaan over zelfactualisatie en persoonsvorming. Kennis is alomtegenwoordig en beschikbaar, de juiste begeleiding bij het opdoen van inzicht in jezelf is lastiger te vinden. Daarnaast maken snelle technologische ontwikkelingen dit vraagstuk steeds relevanter. Er ontstaan verschillende initiatieven voor vernieuwing van het huidige curriculum, maar een gedeelde visie over de functies en doelen van onderwijs ontbreekt vooralsnog. In de praktijk lijkt de nadruk momenteel nog te liggen op het belang van meetbare resultaten. PO, VO en HO zijn grotendeels gericht op het overdragen en toetsen van kennis.

10. Kansongelijkheid in het onderwijs

De gelijke kansen in het onderwijs staan in toenemende mate onder druk. De negatieve bijwerkingen van vroege selectie binnen het huidige stelsel lijken moeilijk te overkomen. Daarnaast groeit het schaduwonderwijs (bijvoorbeeld bijles, examentraining). Het zijn vooral kinderen van hogeropgeleide en meer welvaren ouders die zo (onbedoeld) een steuntje in de rug krijgen. Tegelijkertijd worden ook vorderingen geboekt. De ongelijkheid lijkt af te vlakken en vooral leerlingen met een migratieachtergrond verkleinen hun achterstand.